Molens in Wageningen

vormden een levendig panorama van de stad

In de weken rond de 41ste Molenmarkt (14 september 2019) verscheen in De Stad Wageningen wekelijks een verhaal over een van de vele molens, die ooit in Wageningen werkten en een levendig panorama vormden in onze stad. Met deze columns schetst Hans Dobbe (oud-molenaar van windmolen “De Vlijt”, thans bestuurslid Oud Wageningen) een fraai en voor velen nog onbekend “panorama van Wageningen”.
Deze columns werden tevens gepubliceerd op molenmarktwageningen.nl

Bronnenonderzoek: Historische Vereniging Oud Wageningen, tenzij anders aangegeven.

 

De Kortenburgse watermolen (1706 – 1808)


De Kortenburgse watermolen  

De Kortenburgse watermolen is in 1706 als papiermolen in bedrijf gekomen. De molen werd aangedreven door de Kortenburgse beek, die meteen de grens afbakende tussen Renkum en Wageningen. De eigenaar was de heer van Cortenbergh, op de plek van het huidige ONO. De papiermolen werd in 1747 omgebouwd tot korenmolen.
Molenaar Jan de Watermulder bleek goed aan de weg te timmeren, maar kreeg een klacht aan zijn broek, nadat hij de watermolen uitbreidde met een roskorenmolen. Hij haalde met “kar en peerd” overal  in Wageningen koren op om te malen.
De Wageningse windkorenmolen was (als voorganger van De Eendracht) een dwangmolen, waardoor de Wageningse ingezetenen verplicht waren hun graan te laten malen op de Wageningse korenmolen.
De Magistraat van Wageningen verklaarde in 1779 dat de Kortenburgse watermolen niet in het buurtschap Harten is gelegen maar in Wageningen. De molenaar moest stoppen en de molen viel stil.  Kort na 1808 werd de molen afgebroken.

 De Windmolen van Wageningen (1383 tot 1996)

 

Tiendkaart van G. Passevant, 1676. Gemaakt in opdracht van de Rekenkamer. Bron: Gelders Archief.  
 
Al in 1383 wordt “de windmolen van Wageningen” genoemd, als Steven van Lienden de windmolen verpacht aan mulder Maes Mulaert. Deze middeleeuwse houten molen stond op precies dezelfde plaats als waar “de molen van Van Rooijen” of “de Eendracht” tot 1996 stond. Tot die tijd maakten het gebouw van de HBS en later de Muziekschool samen met de molen vanuit de uiterwaarden gezien deel uit van een indrukwekkend panorama van de skyline van onze stad.

De windvang voor deze molen was geweldig en pakte eeuwenlang alle zuidelijke en zuidwestelijke winden vanuit de Betuwe.

Deze molen was een dwang- of banmolen. Het was een feodaal recht dat al ontstond in de 12e eeuw. Doel was om 1/10e van de productie te kunnen innen. In de 16e eeuw kwam de molen via de adellijke familie Van Arnhem in bezit van de hertog van Gelre, en moest men op deze molen zijn koren laten malen.

De hertogelijke standerdmolen stond niet onder een gelukkig gesternte. Brandde af in 1530, maar werd weer opgebouwd. Engelse troepen, die Wageningen bezet hielden, o.l.v. de Graaf van Leicester, staken op 6 juni 1582 het werktuig in brand midden in de 80-jarige oorlog. Ook na deze ramp werd de standerdmolen weer helemaal hersteld. Maar op 24 september 1784 brandde de houten molen voor de derde keer af. Hierna werd de stenen ronde beltmolen gemetseld, die vanaf de 19e eeuw De Eendracht zou gaan heten. Voor de bouw van deze nieuwe stenen beltmolen is een verrassend compleet bestek in de archieven teruggevonden.

Van de oude houten standerdmolen zijn nog enkele fragmenten molensteen bewaard gebleven, die wijzen op een hoge ouderdom. Tevoorschijn gekomen tijdens onderzoekingen vóór de sloop van De Eendracht in 1996. De molen is op enkele schilderijen afgebeeld samen met de schuin tegenover liggende eekmolen De Ooievaar. Zie op de kaart van Jacob van Deventer uit 1575 en op het schilderij van Van der Schalcke, uit ca 1750, dat in het Gemeentehuis hangt. (Wordt vervolgd).

 

 Rosmolens in de binnenstad

Plaatsen van rosmolens in de binnenstad. Bewerking: E. van Dorland.

In de geschiedenis van Wageningen hebben alleen al in de binnenstad 7 rosmolens gestaan en gewerkt. Al in 1500 wordt er een “rosmeule” genoemd en de laatste vermelding is in 1891. Tot nu toe was bekend dat er in de Wageningse binnenstad 3 van deze paardenmolens waren. De naam Molenstraat refereert hier aan. Maar nu hebben we ook alle plaatsen van de panden vast kunnen stellen en dat maakt dat deze vorm van bijzondere bedrijvigheid in de voorgaande eeuwen in onze stad is komen vast te staan. Deze molens werden aangedreven door een paard (ros is oud woord voor paard)  Het paard liep zijn rondjes om een spil en dreef zo een groot spoorwiel aan, vergelijkbaar met dat in een windmolen. Aan de buitenomtrek van dit grote houten wiel dreven de kammen meerdere schijflopen of rondsels aan, die daarna stenen in beweging brachten en andere toestellen, afhankelijk van de functie.  Zo was er een oliemolen, een meelmolen, 5 grutmolens, een had ook een mosterdmolen en een andere ook een gerstpellerij. Bijzonder is dat al deze rosmolens in een hoekpand gevestigd waren en over veel ruimte beschikten. Aan de Hoogstraat was de winkel en daarachter de opslag, de molen, de stal voor de paarden en een schuur voor hooi en voer.

De paarden konden via de achteruitgang naar buiten. Het werk dat een paard te doen had was tamelijk eentonig, rondjes lopen en soms moesten er ook meerdere wielen aangedreven worden. Meestal was het maximaal een uur lopen. Soms gebruikte de mulder een grote zandloper die aangaf als het paard mocht stoppen. Er gaat een verhaal over een paard dat zelf stopte als de zandloper er door was: een paard dat kon klokkijken dus!! Om niet dol te worden liepen ze met blindlappen voor. Ook werd er een drollenzak onder de staart opgehangen om een schone vloer te houden.

De komende weken zullen alle panden, waarin rosmolens hebben gewerkt, besproken worden.

Bron: Wie woonden waar in de binnenstad. A.C. Zeven. Historische Vereniging Oud Wageningen (2003).

De Oliemolen

De vorige column toonde de 7 plaatsen waar ooit een rosmolen werkte in de binnenstad van Wageningen. Door de bescherming van de gracht met zijn stadsmuren was het hier een stuk veiliger voor zo een bedrijf, zodoende was het in vroegere eeuwen binnen de muren een stuk agrarischer. Dat is een verklaring van het grote aantal voor zo een tamelijk kleine binnenstad.

Foto Norah: H. Dobbe.

Allereerst noemen we de oliemolen op Hoogstraat 31 met zijn uitgang aan de Junusstraat, die vroeger de Broekstraat heette. De oliemolen wordt genoemd tussen 1676 en 1800. In 1676 is er een verkoop van de “schuer en olimoelen, voorts wat daar aan bij hoort” aan Mr. Johannes Verhel, die rector was aan de Latijnse School. In de oliemolen werd raapolie en ook lijnolie uit zaad geperst. Het zaad werd eerst door aparte stenen geplet, daarna verwarmd en in paardenharen zakken gedaan. Hierna werden d.m.v. stampers wiggen aangeslagen, die de olie uit de  zakken zaad perste.
De bijhorende winkel was gevestigd in het pand waar nu modewinkel Norah is en vooral in het pand daarachter bevond zich de rosmolen met alle bijhorende activiteiten inclusief de stal voor het paard of paarden, hooi en voeropslag.

Na 1800 wordt de rosmolen niet meer genoemd. In de 19e eeuw bakt de bakkersfamilie Heijnekamp hier enkele generaties lang brood, daarna vanaf 1922  bakkerij A. van Dijk. Hierna neemt bakkerij Van der Spek de zaak over in 1934. De zijingang aan de Junusstraat hoort dan nog steeds bij het bedrijf en Van der Spek wordt ook zeer bekend door de automatiek in de Junusstraat. In 1977 verkoopt Piet van der Spek de bakkerij aan Teun Langerak, die  vanaf deze tijd zijn vleugels uitslaat.

Bijzonder detail is dat ondergetekende in zijn beroep als molenaar vele jaren per week 20 tot 30 balen meel leverde aan deze bakkerij via de ingang aan de Junusstraat.  Hoogstwaarschijnlijk gestapeld precies op de plaats waar de rosoliemolen tot 1800 in bedrijf was. 

De grutterij of grutmolen

Foto rosmolen: Erve Kots, Lievelde.

Op de oliemolen na, waren alle rosmolens in de stad grutmolens of grutterijen.  In de grutmolen werd vooral boekweit in stukjes gebroken in allerlei groftes. De winkel, die erbij hoorde werd wel de grutterij genoemd. Hier werden de grutterswaren verkocht, de boekweitgrutten en de gort, beiden volksvoedsel. Ook droogwaren als erwten en bonen, zaden, plus meel natuurlijk en vogelzaad. De grutmolenaar werd ook wel gorter of gortmolenaar genoemd. De familienamen Gorter, De Gruyter, Grutterink stammen van dit beroep af.

Boekweit is geen graan maar valt onder de duizendknoopfamilie (fagopyrum esculentum).

Dit gewas maakte vanaf ca 1400 zijn opmars en werd verbouwd op lichte schrale zandgronden in het oosten van het land. Boekweit vraagt weinig mest en groeit snel. Vooral als de graanprijzen stegen in de 16e eeuw en aan het eind van de 18e en begin 19e eeuw verbouwde men meer boekweit. Dat is ook precies de tijd dat we de vele  grutterijen vinden in Wageningen.

Boekweit at men in koeken, boekweitpap, boekweitgrutten met stroop. In Gelderland werd in 1812 per persoon p/jaar bijna 40 kg boekweit gegeten. In het najaar werd met de slacht natuurlijk ook veel boekweitmeel gebruikt voor de balkebrij en in de worst. De concurrent van de boekweit werd in de tweede helft van de 19e eeuw de komst van de aardappel, die zich snel verbreidde door de veel hogere opbrengst. De laatste eeuw is boekweit nog hoofdzakelijk gebruikt in nagerechten als poffertjes en pannenkoeken.

In een grutmolen waren veel bewerkingen mogelijk. Het grote door een paard aangedreven kroonwiel liet meerdere schijflopen draaien door de kammen aan de buitenkant. Ook verschillende zeven en waaierkasten d.m.v. snaaraandrijvingen. Eerst moesten de boekweitdoppen gezeefd worden om even groot te zijn om met het breken even grote grutten te krijgen. Voordat de boekweit gebroken werd, werd deze eerst geëest, d.w.z. licht verwarmd, waardoor de dop er makkelijk afgaat. De eest werd verwarmd door een kachel die gestookt werd met boekweitdoppen. Met een builkast werd het meel eruit gezeefd. Kortom het werk in een grutmolen was een precies werk.

“De grutmeulen” van Wageningen

Foto: H. Dobbe.

Op de hoek Hoogstraat-Boterstraat op de Markt ten noordwesten van de toren stond al in 1500 een grutmolen.  De Boterstraat liep in vroegere tijden door tot aan de Hoogstraat. Ongeveer op de plaats waar op zaterdags vaak de stroopwafelkraam staat. Westelijk van de kerk, die nu zo streng in de steigers staat, lag het kerkhof van de kerk, onder het huidige verhoogde plateau. Daarbuiten om de kerk was een smalle steeg, de Stormsteeg. Die heette zo, omdat het zo tochtte tussen de toren en de huizen, die tot de 2e WO bijeengepakt op de Markt stonden. Het huis zo dichtbij de toren, heette in 1599 de “Rosmeule” en in 1757 de “Grutmeulen”, wat meteen zijn functie verklaarde. In 1696 moest aan de stad erfpacht worden betaald, wat wil zeggen dat het terrein eerder eigendom was van de stad. 

Op 11 november 1757 kwam het perceel in bezit van Jan Jordens. Hij kocht “de schuer van t huijs en erff, uitkoment aan de Boterstraat en t Kerckhof met al ’tgene bij de grutmolen is behouden en thans bevonden wordt”. 

In 1785 werd d.m.v. een publieke veiling verkocht aan Andries van Eldik en Rijkje van de Vijsel  “het huijs en erff met de daer insijnde grutmolen aan de Hoogstraat op ’t hoek van de Boterstraat benevens nog een schuer  en erff naast voorgaand perceel”.

Zeer waarschijnlijk was deze rosmolen dezelfde als die de Hertog van Gelre in 1500 in bezit kreeg. Hij verwierf toen namelijk de standerdmolen én een rosmolen in de stad.

In 1832 bestond de rosmolen nog. Mogelijk werd hij pas gesloopt in 1931. In ieder geval werd in mei 1940 tegelijk met het neerhalen van de kerktoren het grootste gedeelte van de bebouwing op de Markt verwoest door Nederlandse artillerie vanaf de Grebbeberg. Als u weer een pakje stroopwafels koopt op de markt,  realiseert u zich dan dat daar op die plek 500 jaar geleden boekweitgrutten werden gemalen.

 Grutmolen en mosterdmolen, Hoogstraat 26

Hoogstraat 26, waar tussen 1647 en 1891 een succesvolle grut- en mosterdmolen was. Foto: H. Dobbe.

In het grote pand Hoogstraat 26 met uitgang aan de Kapelstraat 1 bevond zich een grutmolen en ook nog een mosterdmolen. Rosmolenactiviteiten werden daar al genoemd in 1647. Ook hier werd de naam Jordens  genoemd. In 1812 was Thomas Jordens eigenaar van het huis, het erf en de grutterij. Zijn zoon Jan Jordens hield naast de grutterij ook nog een veestapel, waaronder 2 merries, 6 koeien en een varken. Verder hoorde erbij 1 rijtuig, 1 kar en 1 stortkar. Het zal in de 19e eeuw nog een geurige bedoening geweest zijn in de binnenstad van Wageningen.

In 1858 koopt G. Hooijer het hele perceel waaronder de grutmolen en de mosterdmolen, gedreven door een paard.  En in 1891 zet dezelfde Gerhard Hooijer te koop “de 2 huizen met ruim achterhuis, gelegen op den besten stand aan de Hoogstraat te Wageningen met uitgang in de Kapelstraat, waar wordt uitgeoefend een van ouds bekende grutters- en kruidenierszaak met grutterij en eest (droogoven) met daarbij een in werking zijnde rosmosterdmolen.”  De verkoop vond plaats in het Koffiehuis De Roos van Martinus de Roos ( voorheen Het Geldersch Welvaren). Op de plaats van Koffiehuis De Roos is nu het bekende Modehuis De Windt gevestigd.

In 1920 had Henri Bakker zijn bedrijf in automobielen in het pand Hoogstraat 26 op hetzelfde grote perceel als waar daarvoor de grutterij was. In de Kapelstraat had Henri Bakker ook een benzinepomp. Hij werd landelijk bekend omdat hij een van Nederlands eerste vliegeniers was. Later is daar ook jarenlang het Beddenmagazijn van Hoefsloot gevestigd geweest.

Perceel Hoogstraat 48

Hoogstraat 48 waar de vierde grutmolen werkte in de 17e tot in de 19e eeuw. Foto: H. Dobbe.

Perceel Hoogstraat 48 kwam in de 17e eeuw uit op de Achterstraat, zoals de Heerenstraat toen heette. Op deze grond stond de vierde rosmolen, ook een grutmolen, waarschijnlijk in een schuur achter de grutterswinkel. Zo konden de paarden en de aanvoer vanuit de Achterstaat plaatsvinden. De grutmolen heeft tenminste bestaan tussen 1689 en 1867. In 1693 was er een heftig conflict tussen 2 buren.  Meester Lamert de Metzelaar krijgt opdracht “’t gat in de muer tusschen  Dirck Jans en Reijnier Reijnierssen toe te metselen”. Reijnier Reijniersen protesteert door te dreigen ‘sal ick alde werelt kennisse in geven, roepende op de Merckt hoort en siet hier word mij de Boode geweijgert’. Kennelijk wilde hij dat de gerechtsbode het werk stopte.

Van grutterijactiviteiten lezen we dat in 1774 Hendrik de Kemp erft “Huijs, schuer en erff en grutmolen en al ‘tgeen verder aan toebehoort.” In 1879 is de hele zaak te koop, waar sedert jaren met het meeste succes “de grutters-affaire en de korenhandel” is uitgeoefend.

Tussen de Hoogstraat en de Achterstraat woonden vanaf 1586 de zusters Augustinessen. Vanwege de hervorming was hun klooster in Renkum verwoest en vonden zij in Wageningen onderdak in enkele huizen, genoemd het Convent. Vandaar de namen 1e en de 2e Kloostersteeg.

In 1989, toen de kelder van café ‘t Gat gegraven werd, ontdekte de archeologische werkgroep op een van de muren fragmenten  van een afbeelding van het klooster, waar de Renkumse zusters ooit woonden.  Ook werd onder een deurpost een flink stuk molensteen gevonden. Waarschijnlijk dat dit stuk steen afkomstig was van deze vierde  grutmolen. De archeologen brachten dit grote stuk molensteen naar molen De Vlijt, waar het nog altijd op het molenerf ligt bij de banken. Hierop wordt bij mooi weer het blad met koffie voor het molenpersoneel neergezet. Een aandenken aan de rosmolens in de Wageningse binnenstad.

De grut- en pelmolen in “het oude Rimsdickshuijs”

Het Rimsdickshuys stond tegen de stadswal aan precies op de plaats waar nu de flat staat. Foto: H. Dobbe.

Gillus van Riemsdijck  en kort daarna Cornelis van Riemsdijck waren burgemeester van Wageningen in de 16e eeuw. Zij bewoonden het naar hen genoemde “ Rimsdickshuijs”.
Door de bewoning van de familie Van Riemsdijck zal de weg naar hun huis de naam Riemsdijkstraat gekregen hebben. Dit grote huis stond aan het uiteinde van de Riemsdijkstraat tegen de stadswal aan ongeveer op de plaats van het huidige flat. (foto). 

In 1776 wordt het perceel bij een verkoping omschreven als “huys, erve, stallinge en koetshuijs, manege, bassecour, thuijn, koepel en theehuijs en verder alles wat daartoe behoort, soo en als ’t selve door den Heer Transportant is bewoont geweest aan de Riemsdijkstraat, streckende tot en langs de Stadswal”. In de naastgelegen schuur op hetzelfde perceel bevond zich de genoemde grut- en pelmolen. In de pelmolen werd gerst gepeld tot gort voor o.a. gortepap. De gerst werd ontdaan van de harde schil door de korrels met hoge snelheid tegen een scherpe geperforeerde blikken plaat aan te schuren, waardoor de korrel zo “geslepen” werd.

In 1806 is dit bezit “huis en erve met annexe schuur, grut- en pelmolen” eigendom van de Heer Thimon Christiaan Westerloo en zijn vrouw Barbara Louisa Sandra echtelieden.

In 1812 werd “het Rimsdickshuis” van Thimon Westerloo gesloopt. Over bleef de schuur waarin de rosmolen was, die de grut- en pelmolen aandreef.

Van 1826 tot 1868 is de schuur met de molen eigendom van Johannes Everhardus de Voogt en Femia van Endt. De schuur is dan in gebruik als koetshuis, stalling en pakhuis. Over de aanwezigheid van de rosmolen wordt dan niet meer gesproken.

De rosmolen aan de wal bij de Nudepoort op de hoek met de Hoogstraat

Op de hoek Hoogstraat-Emmapark stond de zesde rosmolen in de binnenstad tussen ten minste 1784 en 1827. Foto: H. Dobbe.

Deze molen was ook een grutmolen en wordt genoemd op 30 januari in 1784.
Barend van Zadelhoff erfde toen “een huijs, schuer, grutmolen, hoff en erven aan de Hoogstraat/hoek stadswal bij de Nudepoort. (Verder drie gouden oorknoppen, een zilveren beugel met zijn tas, en dito snuijfdoosie, en dito naaldkoker, en dito breijklosie, een paar dito gespelt, een psalmboek met de krammen, en een doosje met kant, en geld.) Barend trouwde met Gerharda Pannekoek in 1797. Zij was een zus van Nicolaas Pannekoek, de latere eigenaar van molen De Eendracht, de in 1996 gesloopte windkorenmolen aan de Gen. Foulkesweg.  Over de grutmolen is verder niet veel bekend. Wel dat in 1827 bij een boedelscheiding Nicolaas Pannekoek ook een deel krijgt.

In de meidagen van 1940 is het perceel, waar de grutmolen in stond helemaal verwoest en is er nieuw gebouwd in de stijl van de Delftse School. De eerste steen werd op 22 juni 1942 gelegd door Kees de Heus, 6 jaar oud. Daarin de tekst: Gevestigd 1858, verwoest mei 1940 (ontwerp van J.J. de Goede, oprichter en eerste voorzitter van Oud Wageningen).

Bakker J.A. Maasland heeft hier nog jarenlang zijn brood- en banketbakkerij gehad met de zij-ingang aan het Emmapark. Ondergetekende heeft hier ook nog een tijd wekelijks meel geleverd, zonder weet te hebben dat op deze plaats 150 jaar eerder ook een molenaarsbedrijf gevestigd was.  Hierna was er vanaf 1997 enkele jaren Reisbureau Nijenhuis bv. En momenteel is er de kapperszaak Ilayda in het hoekpand.

Op de hoek Heerenstraat-Molenstraat bevond zich de roskorenmolen

Op de plaats van de zaal van Loburg was van 1580 tot 1653 de roskorenmolen voor de stad Wageningen. Foto: H. Dobbe.

Deze rosmolen was werkzaam tussen 1580 en 1653. In 1580 werd de bekende standerdmolen, een windkorenmolen,  aan de voet van de berg, in brand geschoten. Het waren roerige tijden in Wageningen en de 80-jarige oorlog eiste zijn tol. De magistraat van onze stad realiseerde dat de bakkers moesten kunnen bakken en de bevolking moest kunnen eten. Dus liet men in 1580 de roskorenmolen oprichten voor het geval dat de stad weer belegerd zou worden.

De molen stond precies op de plaats waar nu de zaal van Loburg is en waar veel Wageningers feest gevierd hebben. In 1653 wordt de rosmolen niet meer gebruikt en wordt hij afgebroken.

De 80-jarige oorlog is voorbij. “Peter Hendricksen betaelt hetwelck de errebeijders hadde verteert over het afbrecken van de rosmeulen”. Het is duidelijk dat de Molenstraat zijn naam ontleent aan deze molen.  De eerdere naam van de Molenstraat  was ooit Rozemarijnstraat. Het zou kunnen dat het met dames te maken had en een oud beroep. In elk geval begint Mortier op deze plek een smederij in 1911 tot 1926. W. Viets vergroot het bedrijf in 1930 en verschijnt de kloeke naam “IJzer & Staal” in de gevel.

Jack Nijeboer, van de Nije, die het pand van Van Brakel in de Hoogstraat betrok en ook een gevierd Wagenings Zydeco-muzikant was, huurde het pand in 1975. Bouwde een extra vloer in het hoge pand om zijn voorraad kasten op te slaan. Biboog-Cafe De Smederij en momenteel Cafe Loburg en boven Pizzeria Sa Lolla.

Molens buiten de stadsmuren

De olie-pel-houtzaag-korenmolen aan de haven

Gedeelte van tekening van Hendrik Hoogers uit 1786 met gezicht op de Grebbedijk en de haven en tevens de enige afbeelding van de oliemolen.

Deze functioneerde van 1730 tot 1823. In 1730 wordt de wind-oliemolen in erfpacht uitgegeven voor Anthonie van der Harten alsmede ook voor Bartold en Jan Suirmond. Onder de bepaling dat “de Wintolymolen in genen coorn- of andere molen mag veranderen”, nog steeds oiv het Dwangrecht, dat pas in 1796 werd afgeschaft. In een oliemolen werden de zaden eerst geplet met de rechtopdraaiende stenen, daarna werd het zaad verwarmd en in buulzakken gedaan. Daarna werd met grote druk de olie uit het zaad geperst en vond de olie zijn weg voor verlichting, verfbestanddeel, zeep, smering enz.

In 1809 vroeg F.J. Beek toestemming om op eigen kosten de grond te mogen ophogen om een loods te kunnen plaatsen om het hout en zijn producten veilig en droog te kunnen opslaan. “Requestrant heeft proefondervindelijk al veel schade en nadeel door ontvreemding moeten ondervinden”. Tevens  wordt er in dit verzoek gesproken dat eigenaar Beek de oliemolen veranderd heeft in een pelmolen en een houtzaagmolen. In 1812 klaagden de eigenaren van de korenmolen

De Eendracht over de onwettig verrichte verbouwing aan de oliemolen, die nu zelfs een graanmaalfunctie erbij had gekregen.  Het schept dan ook geen verbazing dat Nicolaas Pannekoek & Cs, tevens eigenaren van De Eendracht, als kopers worden genoemd van de grond en het geheel. Het lijkt er sterk op dat hiermee de concurrentie gewoon weggekocht werd.

De molen werd gesloopt en op 24 sept 1823 werden alle onderdelen van de oliemolen met zijn vele functies geveild in etablissement Het Geldersch Welvaren. In 1834 werd de grond doorverkocht met de bepaling  “dat eenen volgenden eigenaar zich verbindt of verpligt om op het gekochte geenen koornmolen te doen bouwen”.

Eekmolen De Ooievaar

De stenen achtkante Eekmolen De Ooievaar. 1617 – 1908 (tevens de eerste foto waarop De Vlijt te zien is). Foto: familie Rutgers.

In 1617 al werd Eekmolen De Ooievaar gebouwd en ingericht tot koren- en schors- of eekmolen.  Hier werd eek gemalen. Eek is losgeklopte bast van jonge eikebomen en de gemalen schors bevatte looizuur; gemengd met water werd het run, waarmee huiden gelooid konden worden. De plaatselijke leerbewerkers maakten zadels, laarzen, paardentuig en meer. De molen stond op de plek waar de Otto van Gelreweg zou komen voor kruising Gen. Foulkesweg. Een gevelsteen van de Eekmolen kun je nog zien in het pand van Notaris Smit-Mohrmann.

In 1844 kwam De Ooijevaar in bezit van Reijer Rutgers. Deze kocht de stenen korenmolen, de latere Eendracht, er in 1889  bij. Op De Eendracht werd toen ook eek gemalen. Het einde van de achtkante Ooievaar kwam toen de gebroeders Roes eind 19e eeuw in de Stationsstraat een grote leerlooierij startten en zelf machinaal de eek gingen malen. De oude windeekmolen werd gesloopt in 1908.
Bij de Eekmolen was van oudsher ook een rosmolen, getuige de onroerend-goedbeschrijving: “Een hoft die de muller gebruijkt en daar de rosmolen gestaan heeft. Langs de bovenweg naar Arnhem; de koornmullers huijs en hof met toebacland, molen en werft afgescheijden met een toebac-hegge”.

Reijer Rutgers junior ging in 1900 niet bij de pakken neerzitten en werd succesvol met het fabriceren van kunstmatige molenstenen. In 1916 werd er een fabriek gebouwd aan de Arboretumlaan, waar momenteel het Bloemenparadijs van Willem van der Meijde is gevestigd. Kleinzoon Jacob Rutgers maakte er molenstenen tot zijn dood in 1983. Honderden molenstenen werden gemaakt en geleverd aan evenzovele korenmolens. De Reijer Rutgers molenstenen werden een begrip in molenland en op veel molens zijn nog deze Wageningse stenen te vinden.

Beltmolen De Eendracht

Beltmolen De Eendracht (1785 – 1906) biedt hier een mistroostige aanblik
’s morgens na de brand. Foto: collectie fam. Van Baren.

De in 1996 gesloopte molen De Eendracht aan de Gen. Foulkesweg werd gebouwd op dezelfde plaats als waar de eerder beschreven standerdmolen op 24 september 1784 afbrandde. De ronde stenen beltkorenmolen werd gebouwd door molenmaker G. Dibbets voor Fl 10.985 en was klaar in 1785. Zoals eerder genoemd werd het oude feodale Dwangrecht afgeschaft in 1796, wat de aanzet zal zijn geweest voor verkoop. Zo werd de nieuwe molen te koop aangeboden door de Domeinen in 1801 en werd in 1803 de Firma Gebroeders Pannekoek (Steven, Jan en Nicolaas) eigenaar. Deze firma bezat reeds enkele molens waaronder de papierwindmolen te Heelsum. In 1806 werd Hendrik Brouwer de molenaar.

In 1832 waren “de Erven Nicolaas Pannekoek” de eigenaar en in 1852 liet Hendrikus Johannes Pannekoek een pakhuis bouwen bij de molen.
In 1873 was Lambertus Rutgers eigenaar en hij liet de woning achter de molen bouwen. De molen werd ook geschikt gemaakt om eek te kunnen malen. De weduwe van Lambertus en Reijer Rutgers laten een nieuw groter pakhuis bouwen.
In 1894 werd Jacob van Rooijen de nieuwe eigenaar van de molen, pakhuis en woning en gaf vanaf nu de molen de naam De Eendracht. In dit jaar liet Jacob ook een petroleummotor plaatsen in het motorhok oostelijk tegen de molen aan. Deze dreef twee koppels stenen aan bij windstilte.

Op 31 juli 1906 brandde De Eendracht helemaal uit, nadat een brandje op de dag ervoor, ontstaan in het nieuwe motorhok, niet goed is geblust. ‘s Nachts wakkerde het brandje toch weer aan. Einde van de originele beltmolen en een einde aan de runproductie. Toch zou de molen in 1906 weer herbouwd worden. (Wordt vervolgd).

Einde van “de Windkorenmolen van Wageningen” (1383 – 1996)

Molen “De Eendracht” in 1939 in vol ornaat. Fotobewerking: E. van Dorland.

“De Eendracht” werd na de verwoestende brand van 1906  4,5 m opgehoogd, omdat de molen inmiddels tussen de hoge villa’s was komen te staan. Er werd een kap van een oude gesloopte Zaanse oliemolen gekocht en op de verhoogde stenen romp gezet. Zo ontstond er aan de toenmalige Rijksstraatweg een bijzonder model molen, nl een belt-stellingkorenmolen met een erg bewogen geschiedenis. De molen had drie koppels stenen op de wind en twee koppels op de begane grond, die bij windstilte aangedreven werden door een 12 PK petroliemotor.

In 1939 brak er tijdens het malen een houten roe. Ook de stelling liep schade op. Molenmaker Chris van Bussel uit Weert kreeg opdracht om de windmolen te moderniseren en zodoende werden er nieuwe stalen potroeden gestoken en het gevlucht werd gestroomlijnd volgens het systeem Van Bussel.

“De Eendracht”  was toen een van de meest moderne windkorenmolens en molenaar Jac. van Rooijen ontving in het najaar van 1939 van de Hollandsche Molen uit Amsterdam het Certificaat van Verdiensten.  Helaas alleen van korte duur,  want op 14 november 1940 raasde een zware storm over Nederland. 24 molens leden grote schade. “De Eendracht” liep door de vang,  ging op hol en verloor haar roeden en kap. Einde van het gebruik van windkracht.

In de jaren die volgden verdween de opbouw uit 1906 en ook de stelling. Ook de belt werd afgegraven. De elektrische maalderij werd voortgezet tot de laatste eigenaar, J. van Baren, overleed in 1989.

Een projectontwikkelaar kocht het bedrijfsterrein plus de molen. De Gemeentelijke Monumentencommissie beval de molen aan als gemeentelijk monument, maar de politiek negeerde dit. Plannen om de molenromp te integreren in nieuwe bebouwing werden afgewezen. De Historische Vereniging Oud Wageningen vroeg rijksbescherming aan, maar dit verzoek werd ook afgewezen. De Gemeente verleende vergunning voor bouw van 14 appartementen. In 1996, het Jaar van het Industriële Monument, werd deze bijzondere molen gesloopt.

Overige, machinale molens in Wageningen

Plaats waar de schorsmaalderij van Roes stond in de 1e Gerdesstraat. Nadat Roes vertrok werd dit pand nog decennia gebruikt door het graanbedrijf van Looien. Foto: H. Dobbe.

Vanaf de middeleeuwen zagen we de waterradmolens, de rosmolens en natuurlijk de windmolens in Wageningen hun werk verrichten door vele ambachtslieden voor allerlei producten en voor voeding van mens en dier. De 19e eeuw maakte dat door het gebruik van eerst de stoommachine er een grotere onafhankelijkheid van natuurlijk energiebronnen ontstond.

In 1860 lieten Reijer Rutgers en Hendricus Pannekoek aan de Veerstraat (ongeveer op nr 55) een schors- en tevens graanmolen bouwen, aangedreven door een stoommachine. Het zal geen groot succes geweest zijn, want in 1891 verkoopt Rutgers de stoomkorenmolen en werd hij afgebroken.

Ook de windmolenaars keken erg naar elkaar, zo kwam er in De Eendracht eind 19e eeuw hulpaandrijving in de vorm van een 12 pk petroliemotor. In De Ooievaar verscheen ook een 12 pk petroliemotor en in De Vlijt in 1902 een 16 PK gasmotor. De pijp waar het stadsgas De Vlijt inkwam, is nog steeds aanwezig. Men keek erg naar elkaar om qua concurrentie niet te ver uit de pas te lopen!

In 1906 werd de graanmaalderij van Van Ingen gebouwd. Deze stond aan de 1Buurtseweg  op de plaats waar nu de sporthal staat. Deze maalderij werd aangedreven door een 16 PK zuiggasmotor en is rond 1955 gesloopt.

De firma Gebrs. Roes hadden voor hun leerlooierij ook een schorsmaalderij in de 1e Gerdesstraat.

Er draaide nog een windmolen in Wageningen en wel op de tuinderij van de familie Hioolen, waar een Amerikaanse windmolen water oppompte en een hoog reservoir vol kon pompen op windkracht om de hele kwekerij te kunnen bevloeien. Ook maalde men met molenstenen snuif, de specialiteit van deze familie. De Hioolens kwamen oorspronkelijk uit Kralingen en maalden daar snuif en carotten op de beide windmolens De Ster en De Lelie aan de Kralingse Plas.  Omdat Rotterdam uitbreidde werden zij onteigend en verhuisde de familie naar de Tarthorsterweg in Wageningen, waar de bestaande tuinderij Pomona werd overgenomen.

Molen De Vlijt (sinds 1879)

De Vlijt in 1920 vanuit het zuiden met de mouterij en de schoorsteen van de melkfabriek. Foto: beeldbank Gemeente Wageningen.

De uit Heelsum afkomstige molenaar Hendrik Hulshuizen liet in 1879 een ronde stenen windkorenmolen met stelling bouwen voor zijn zoon Jan. De plaats was in de Wageningse Eng tussen de tabaksvelden aan de zuidkant van de Harnjesweg, dat toen nog maar een paadje was. Plaatselijke tabaksboeren maakten nog bezwaar tegen de bouw, omdat zij vreesden dan de wind uit hun schuren zou worden gehouden zodat de tabak niet goed kon drogen. De bouw ging toch door en zo verscheen er een kloeke korenmolen, die Jan met veel succes bemaalde.
Zijn broer Hendrik Hulshuizen liet een 16 PK gasmotor in de molen bouwen, die moest helpen als er geen wind was. De pijp voor het stadsgas steekt nu nog steeds uit de grond omhoog.

De Vlijt heeft gelukkig nooit fatale ongelukken meegemaakt. In 1901 sloeg de bliksem in de houten askop, waarna een gietijzeren askop werd gestoken. In 1933 brak de houten buitenroe en de helft belandde loodrecht in de moestuin.
In de 2e Wereldoorlog liep De Vlijt door granaatvuur beschadigingen op aan de kap en het gevlucht.

Na de oorlog wilde molenaar Van Veldhuisen de molen vervangen door een grote machinale maalderij. Door tussenkomst van de historicus Max van Hoffen kwam dit zover niet en werd zelfs tot herstelwerk besloten in 1951-1952.
Na het overlijden van Van Veldhuisen verviel de molen weer, tot uiteindelijk de Gemeente De Vlijt kocht en zorgde voor een restauratie. Om veiliger en efficiënter te kunnen werken, werden in 1985 fokwieken met remkleppen aangebracht.

De Vlijt is momenteel een van de meest volledig in bedrijf zijnde traditionele windkorenmolens van Nederland. Wij hopen dat hij nog lang het levendige stadsbeeld van Wageningen mag meehelpen bepalen. Zie ook molenmarktwageningen.nl.